Door: Iris

Re-integreren met NAH kan knap lastig zijn. Zelf ben ik al ruim twee jaar aan het re-integreren, terwijl ik herstellende ben van post-commotioneel syndroom (PCS). Dit heb ik opgelopen na een zware hersenschudding bij karate toen ik een klap kreeg tegen mijn nek (hierbij ook een whiplash). In deze blog vertel ik je meer over mijn grootste uitdagingen bij het opbouwen van mijn werk als programmeur.

Opbouwsnelheid

De grootste uitdaging voor mij was wel om de juiste opbouwsnelheid te vinden. De eerste paar maanden kon ik nog niet opbouwen, omdat ik nog achteruit ging. Toen ik uiteindelijk kon beginnen, begonnen we echt met twee keer een half uurtje in de week. Elk half uurtje opbouwen kostte me moeite en dit kon meestal pas na een paar weken tot maanden. Na mijn eerste jaar zat ik pas op vijf uur per week. Als ik sneller ging, kreeg ik kortsluiting in mijn hoofd en moest ik daar weer van herstellen. Dus dat was heel erg puzzelen.

Invulling van werkuren

Het was ook behoorlijk uitdagend om werk te vinden waarmee ik de opbouwuren kon vullen. Aan het begin moest ik alles weer opnieuw leren. Ik moest met mijn ergotherapeut letterlijk bespreken hoe ik elke stap zou doen bij het bekijken van mijn mail, omdat mijn hersenen zo slecht om konden gaan met nieuwe informatie. Als ik dat niet serieus genoeg nam, lag ik weer dagen in bed. Dat onderschatte ik regelmatig. Zo had ik een keer geprobeerd om wat licht vertaalwerk te doen, maar dat constante switchen in mijn hoofd was veel te veel. Na een klein stukje werk, voelde het alsof er iets in mijn hoofd knapte en was mijn hele dag al weer over. Programmeren zelf kon ik pas na vijf maanden. En dan heel basaal, met maximaal 5 min per dag. Lezen was een uitdaging, dingen onthouden ging niet, dus ik heb stap voor stap kleine trucjes moeten leren om taken weer op te kunnen bouwen.

Contact met collega’s

Ik moest ook erg opletten met teveel communicatie. Zulk soort banden onderhouden was voor mij ook informatie en van informatie had mijn brein snel teveel. Ik had alleen mijn casemanager die ik wekelijks sprak, na een half jaar mijn manager ook elke week en de bedrijfsarts sprak ik elke paar maanden. Later in het eerste jaar had ik eindelijk ruimte in mijn hoofd voor nog een andere collega die ik dan af en toe kon spreken. Verder kon ik niet veel contact aan. Dat vond ik wel heel eenzaam.

Computerscherm

Lichtgevoeligheid was een groot probleem. De eerste maanden heb ik met een zonnebril voor het scherm gezeten en heb ik het schermlicht op zijn meest lage felheid moeten zetten. Ook het focussen op een computermuis vond ik frustrerend, want ik kon dat stomme ding nooit vinden op het scherm.

Naar kantoor

Naar kantoor gaan kon ik in het eerste jaar maar een keer in de paar weken of maanden. Ik werd heel snel overprikkeld in een kantoor, vergat waar ik was en had moeite met de weg vinden. Ook kon ik slecht mijn aandacht verdelen als ik overprikkeld raakte. Zo heb ik een keertje een black-out gehad in de kantine, omdat ik de prullenbak niet kon vinden. Ik moest een hele tijd dus ook altijd iemand bij me hebben die mij kon begeleiden door het gebouw.

Inmiddels doe ik nu een proefmaand fulltime. Hoe ik daar gekomen ben, vertel ik je in mijn volgende blog!