Door: Kesty van Ree.
Als je leeft met niet-aangeboren hersenletsel (NAH), dan weet je dat het dagelijkse leven al genoeg uitdagingen met zich meebrengt. Dingen die ooit vanzelfsprekend waren, kosten nu meer energie, meer planning en soms ook gewoon meer moed. Reizen is daar een goed voorbeeld van. Maar laten we meteen één ding duidelijk maken: ja, reizen met NAH kan. Het is misschien anders dan voorheen, maar met de juiste voorbereiding en instelling kun je nog steeds genieten van mooie plekken, nieuwe ervaringen en fijne momenten.
Even eerlijk: reizen is vermoeiend
Reizen vraagt veel van je brein. Drukte op stations of vliegvelden, onbekende routes, onverwachte situaties… Voor iemand met NAH kunnen dit allemaal flinke triggers zijn. Zelf merk ik dat ik sneller overprikkeld raak, vooral op drukke plekken waar veel geluiden en prikkels tegelijk binnenkomen. En dat kan behoorlijk frustrerend zijn, vooral als je reisgenoten nog in de ‘vakantiestand’ staan terwijl jij al overprikkeld op een bankje zit bij te komen.
Maar weet je wat? Het helpt om dat gewoon eerlijk te benoemen. Zeg wat je nodig hebt. Een pauze, een rustig plekje, een kortere dagplanning. Veel mensen begrijpen het beter dan je denkt, zeker als je uitlegt waarom.
Tips uit eigen ervaring
Hier zijn een paar dingen die mij helpen om met NAH toch te kunnen reizen:
1. Plan rustig en ruim.
Probeer geen overvolle dagen in te plannen. Een halve dag iets doen is vaak meer dan genoeg. Neem de tijd voor pauzes en plan ook rustdagen in, waarop je gewoon niks hoeft. Vakantie is geen wedstrijd.
2. Kies een prikkelarme bestemming.
Grote steden of massatoerisme zijn vaak te druk. Natuur, kleine dorpjes of rustige vakantieparken zijn meestal prettiger als je snel overprikkeld raakt. Zelf ben ik groot fan van Ameland (als Nederlandse bestemming) rust, ruimte en frisse lucht. Die elementen vind ik ook terug in onder andere Denemarken en Zweden.
3. Hulpmiddelen zijn oké.
Oordoppen, zonnebril, noise cancelling koptelefoon… Gebruik wat voor jóu werkt. In het begin voelde ik me een beetje ‘raar’ als ik ergens zat met mijn koptelefoon op, maar inmiddels ben ik er gewoon aan gewend. Het helpt, dus ik doe het.
4. Reis met mensen die je begrijpen.
Het maakt echt een verschil als je reist met mensen die weten wat NAH inhoudt of het dus zelf ook hebben. Die niet boos worden als je ineens even moet liggen. Of die je niet pushen om ‘nog één museum’ te doen als je hoofd al vol zit. Goede reisgenoten zijn goud waard.
5. Zorg voor structuur.
Dingen opschrijven, vaste routines aanhouden, duidelijke dagindelingen maken, dat helpt mij enorm om overzicht te houden. Als ik ‘s ochtends al weet wat er ongeveer gaat gebeuren, voel ik me veel rustiger.
6. Durf aan te passen.
Het moeilijkste vond ik in het begin dat ik mezelf bleef vergelijken met vroeger. “Vroeger liep ik hele steden door in één dag, nu red ik nauwelijks een ochtendmarkt.” Maar inmiddels weet ik: het is oké om aan te passen.
Reizen met NAH betekent niet dat het minder leuk is, het is gewoon anders. En soms is het juist intenser, omdat je bewuster geniet van de kleine dingen.
Die rustige wandeling door de duinen, een cappuccino op een terrasje, een zonsondergang waar je even stil van wordt, dát zijn vaak de momenten die blijven hangen. Niet de hoeveelheid bezienswaardigheden die je hebt afgewerkt.
Tot slot
Als je NAH hebt, hoef je niet thuis te blijven. Je hoeft je niet te verstoppen. Je mag de wereld nog steeds ontdekken, op jouw tempo, op jouw manier. En ja, het vraagt voorbereiding en misschien ook wat lef, maar je krijgt er iets heel moois voor terug: vrijheid, verwondering en het besef dat jij dit gewoon kunt.